Het Alfabet van Normaal: A & B

De afgelopen jaren heb ik woorden verzameld die met Anders en met Normaal te maken hebben. Synoniemen, spreekwoorden en uitdrukkingen. Positieve typeringen, maar ook veel oordelen, kritische en negatieve beschrijvingen en scheldwoorden. Ik nodig je uit om met me mee te doen en me woorden door te geven die jij associeert met anders of met normaal.

Wat is normaal?
Normaal is zoals je denkt dat de meeste mensen leven. Wat ze doen en wat ze laten, wat ze denken en wat ze voelen. Normaal is datgene dat gewoon is, zoals het hoort.

Impliciet en gewoon
Wat me opvalt is dat er minder woorden zijn voor normaal dan voor anders. Blijkbaar zijn er meer zaken die afwijken van de norm om in woorden uit te drukken. Het normale valt niet op en is te gewoon om te benoemen. Iedereen weet het of zou het moeten weten, en dus wordt het normale en gewone impliciet aangenomen. Het andere daarentegen wordt expliciet benoemd, ook als waarschuwing om je niet zo te gedragen of zo te zijn, want zo hoort het nu eenmaal niet.

A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A

Aaibaar 

Aangepast – Aanpassen 

Aanspreekbaar – Aanwezig

Aardappels, groente en vlees met jus 

Aardig – Aards 

Acceptabel

Af – Afbakenen – Afgerond

Afgeschermd – Afgewogen – Afgezaagd

Algemeen – Alledaags – Alleman – Allemansvriend  

Antwoorden

Assertief – Assimilatie

Autochtoon

Automatisch – Automatische piloot – Automatisme 

 

 

 

B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B – B 

In Balans – Basaal  

Beheerst – Behoedzaam – Behoudend – Behoudzucht

Bekend – Naar de Bekende Weg vragen

Bekrompen  

Beleefd –  Er valt niks te Beleven

Benepen

Beschaafd – Bescheiden – Beschermd

de Bestaande Orde

Betamelijk – Beteugelen – Bevooroordeeld

Binnenbeentje – Binnen de GeBaande paden – Binnen de Kaders – Binnen de Lijnen – Binnen de Norm – Binnengewoon – Binnenstaander – Binnenstebuiten  

Bloedeloos

Volgens het Boekje – Wat de Boer niet kent dat Vreet ie niet

 

Braaf – Braafheid 

Buitenwereld

Buren (wat zullen ze wel denken?) – Burgerlijk – Burgerman – Burgermansfatsoen

Bureaucratisch

 

Het beest in mij

Vandaag zat ik in de auto en ineens zag ik mezelf veranderen in een keffertje, dat vervolgens uitgroeide tot een pitbull. Een complete metamorfose van de Maarten die meestal in beeld is, tot een hele vervelende vent, die je liever niet tegenkomt. Het gebeurt me wel eens vaker, maar het bijzondere was deze keer dat ik in staat was er met grote verwondering en verbijstering naar te kijken. Want wat was ik nou ineens aan het doen en waar was het nou voor nodig?

Overkomt het jou ook wel eens, dat ineens het beest in jezelf boven komt?

Het beest in mij komt vooral te voorschijn in de auto. Hij gromt, “Schiet toch eens op!” en “Doe toch niet zo stom!” Hij ziet alles wat er om hem heen gebeurt en ergert zich aan iedereen die iets doet dat volgens hem niet hoort. Zo stoort hij zich enorm aan mensen die niet opletten en anticiperen, maar wat anders zitten te doen (kletsen, bellen, lezen, werken). Egoïsten zijn het, die geen rekening houden met anderen. “Eikels! Let toch eens op!”, schreeuwt hij dan tegen ze. Het beest is heel zwart-wit, normerend en oordelend en soms komt dan ineens zijn opgeheven vingertje te voorschijn dat anderen de les leert. Het wonderlijke is dat hij zich tegelijkertijd ook ontzettend kan storen aan dat vingertje van anderen, juist in het verkeer. Alsof hij weer in de klas zit en de meester hem weer terechtwijst. “GRRRR! Bemoei je met je eigen zaken!”

Ik heb het ook bij onbeschoftheid. “Zo laat ik me toch niet behandelen!”, gromt ie dan en dan voel ik hem groeien en krijg ik ineens enorme aandrang om die ander op zijn bek te slaan. Maar dat doe ik uiteraard nooit, want daar ben ik veel te aardig en te schijterig voor. Ook als ik gestrest ben, kan hij soms flink bijten.“Ook dat nog!” en “Werk nou even mee!”, zegt ie dan, zeker als iemand ook nog (in zijn ogen) stomme fouten maakt, die ik er nu zeker niet bij kan hebben. En vervolgens moet de kop van zo iemand eraf en krijgt die persoon de ene na de andere sneer van hem te verduren.

Het is dus vooral als het stresslevel in me stijgt dat er ogenblikkelijk een waakzaam beest in me boven komt, die me beschermt tegen alles wat een bedreiging kan vormen. Het verkeer is de plek waar dat het meest voorkomt, want autorijden is, als je het reëel bekijkt, een hele linke bezigheid, waarbij het gevaar van alle kanten kan komen en het beest dus heel alert moet zijn om te zorgen dat ik het overleef. Het beest in mij is een heel basaal instinct dat het dan van me overneemt en ook ineens helemaal los kan gaan. En dat zit ik plotseling met verbazing naar mezelf te kijken, zoals vandaag.

REACTIES
Jacques Klöters (cabaretier, schrijver, radio-presentator)
Ook ik voel wel eens een hufter in me opkomen die ik niet wil zijn. Snel een parkeerplekje inpikken voor een ander. Is dat dezelfde man die elegant jassen aanreikt, deuren openhoudt, etc? De auto activeert Dr Jekyll and Hyde in mij. In de auto neem ik de rol aan van automobilist. De auto kun je vergelijken met het masker, je wordt het masker als je het opzet. Die identiteit kruipt in je. Wonderlijk is ook dat ik volkomen andere waarden nastreef als ik voetganger dan wel fietser ben. Ik scheld op de automobilist die ik zelf kort daarvoor nog was. Fiets als een dolleman zonder licht in het rond waar ik als automobilist zo’n hekel aan heb. De mens is geen stabiele persoon maar een etui met personen. Jij gaf het voorbeeld van de bus met passagiers die allemaal andere eigenschappen vertonen en om beurten aan het stuur zitten. Met die vergelijking kun je veel begrijpen. De zekerste manier om ongelukkig te worden is te lijden aan hoe het eigenlijk had moeten zijn. Om voortdurend mee te rijden met de foute chauffeur. Je kunt je beter neerleggen bij hoe het is vinden de realisten. Ik voeg er dan wel de verwondering aan toe: kijk mij nou eens doen. Wat merkwaardig toch wat het leven nu weer met mij uithaalt! Vaak ben ik een verwonderde passagier in mijn eigen bus.

Stefan van Rossum (masseur)
Onlangs kwam een kennis uit Amerika logeren in de week voordat mijn opleiding voor het eerst van start ging. Mijn reputatie als Mr Cool and Collected ging volledig verloren. Elke irritatie leidde tot een ontploffing. Tja, stress. Het gevoel dat ik tegengewerkt word door de kosmos, en uiteindelijk het gevoel dat ik er niet mag zijn. Dus als een deur niet genoeg opengaat, als de sleutel niet soepel draait, word ik bevestigd dat ik er niet mag zijn. Maar weet je, we zijn gewoon primaten die vol agressie zitten en het eruit moeten gooien. Trap volgende keer eens een duif van de stoep als ie niet snel genoeg opzij gaat. Of zoals Johnny Rotten van The Sex Pistols zei: “Anger is an energy.”

Wonderbril

De Brits kernfysicus en emeritus hoogleraar Joshua Silver heeft een bijzondere uitvinding gedaan. Hij ontwierp een zelf verstelbare bril voor slechtzienden, die buitengewoon simpel werkt. Al in de achttiende eeuw werd er in Dresden met zulke lenzen van variabele sterkte geëxperimenteerd, maar dat leverde geen praktisch bruikbare brillen op. Sinds halverwege de jaren ’80, toen hij nog werkte als natuurkundige aan het New College in Oxford, experimenteert Silver met verstelbare brillen. Het begon als een aardigheidje, toen hij na een gesprek met een collega in een half uur een lens maakte met twee doorzichtige plastic membranen met een klein beetje water er tussen. Een paar maanden later kwam hij met een verfijnder model, met injectiespuitjes aan de zijkant.

Het werkte voor hemzelf en hij realiseerde zich dat met deze bril honderden miljoenen slechtzienden in ontwikkelingslanden zouden zijn geholpen. Wereldwijd zijn er ongeveer drie miljard mensen die een bril nodig hebben. Met hun dikke lenzen van hard plastic, zijn het misschien niet de mooiste brillen, maar ze zijn ideaal voor mensen die niet over de middelen beschikken om een opticien te bezoeken en een geschikte bril aan te schaffen. In West-Europa heb je gemiddeld één opticien op elke 5.000 inwoners, in zwart Afrika maar één op een miljoen.

Het bijzondere effect van de bril is mooi te zien aan het verhaal van de kleermaker Henry Adjei-Mensah uit Ghana, een van de eersten die ermee werd geholpen. Tegen zijn zin was hij op 35-jarige leeftijd gestopt met zijn werk, omdat hij naald en draad niet goed meer kon zien en geen geld had om een bril te kopen. Nadat hij de bril op de juiste sterkte had ingesteld, verscheen er een grote grijns op zijn gezicht, want hij kon weer aan het werk.

Na zijn ontdekking zocht Silver contact met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève en met hun hulp wist hij de Britse regering te interesseren in een experiment. Als proefgebied werd Ghana uitgekozen, waar de regering programma’s had opgezet voor de alfabetisering van ouderen. Probleem daarbij was dat de deelnemers vaak niet in staat waren om te zien wat ze moesten lezen. Het experiment was een succes en de Ghanese overheid bestelde 10.000 exemplaren. In totaal zijn er inmiddels zo’n 30.000 mensen van een bril voorzien in 15 landen. Maar helaas is de grote doorbraak uitgebleven bij gebrek aan grote sponsors. Probleem is dat organisaties vaak meer geïnteresseerd zijn in kwesties van leven en dood en daar valt slechtziendheid blijkbaar niet onder. En dat terwijl er elk jaar in ontwikkelingslanden ongeveer een miljoen mensen in het verkeer om het leven komt als gevolg van problemen met slechtziendheid.

 

Silver heeft inmiddels een Centre for Vision in the Developing World opgericht, in de vaste overtuiging dat er een grote toekomst zit in deze technologie. Het doel is om brillen te maken die niet meer dan één dollar per stuk kosten. En de ambitie om een miljard slechtzienden goed te helpen zien voor 2020. (*1)

NOTEN
*1 Belangrijkste bron voor dit artikel is Floris van Straaten “Gelukzalige glimlach dankzij wonderbril”  (NRC 19-8-2009)

Hamburg 1960: John, Paul, George, Stuart & Astrid

Een kunstenaar bekijkt dingen vaak vanuit een ander perspectief. Laten we daarom eens meekijken door de ogen van een jonge Duitse fotografe uit Hamburg. In 1960 overkwam haar iets heel bijzonders, dat haar leven volledig op z’n kop zou zetten.

Astrid Kirchherr zat op de Kunstacademie samen met haar goede vriend Klaus. Op een dag vertelde hij heel enthousiast over iets dat hij had gezien en hij drong er op aan dat ze meeging om het ook te bekijken. Ze zag het eerst niet zo zitten omdat het zich afspeelde in een donkere kelder in de hoerenbuurt, en daar kwam een net meisje als zij normaal niet. Maar na lang aandringen liet ze zich toch overtuigen.

Wat Klaus had gezien was een groep Engelse jongens die een nieuw soort muziek maakten. Astrid keek met andere ogen, en zag niet zozeer muzikanten, maar absolute schoonheid, jeugdigheid en talent. Ze was er totaal door overdonderd. Ze waren niet alleen verbazingwekkend mooi, maar hadden ook een uitstraling die haar als vanzelf naar hen toetrok. Daarom wilde ze zo snel mogelijk vastleggen wat ze had gezien, voordat dit wonder weer uit haar leven zou verdwijnen. Trillend van de zenuwen vroeg ze hen na het concert, in krakkemikkig Engels, of ze foto’s van ze mocht maken. De jongens waren op hun beurt weg van haar, en zo gebeurde het dat ze John Lennon, Paul McCartney en George Harrison op de foto zette.

Astrid en haar vriend Klaus Voormann (*1) waren toen allebei 22, John 20, Paul 18 en George 17. George werd al snel stapelverliefd op haar, maar zij viel voor de 20-jarige basgitarist Stuart Sutcliffe.  Stuart zat samen met John op de Kunstacademie in Liverpool, en was de meest talentvolle beeldend kunstenaar van het stel. Tot ergernis van Paul was hij een matig muzikant en repeteerde hij nauwelijks. Maar volgens John deed dat er niet toe, want hij was nu eenmaal echt rock & roll. Astrid en Stuart kregen een relatie totdat hij in 1962 totaal onverwachts stierf. (*2)

De ontmoeting met The Beatles was uiteindelijk het bepalende moment in het leven van Astrid. Stuart bleef de liefde van haar leven, ook al was hij er niet meer, terwijl de contacten met de band haar hielpen om een vliegende start te maken als kunstenaar. Maar tegelijkertijd bracht het ook veel twijfels met zich mee, waardoor ze op den duur stopte met het maken van foto’s (*3) en zich toelegde om te assisteren bij andere fotografen. Was ze echt wel goed? Of had ze gewoon geluk gehad doordat ze toevallig op het juiste moment op de juiste plek was geweest? (*4)

Astrid gaf John, Paul en George uiteindelijk ook iets mee wat voor hun toekomst van groot belang was, namelijk styling. Zij was het die hun haar in een nieuwe stijl knipte, korter en zonder Brylcreem, terwijl ze hen ook stimuleerde om andere, hippere kleren te gaan dragen. Door Astrid en Klaus leerden The Beatles zien dat het niet alleen ging om de muziek, maar veel meer om de integratie van beeld en muziek. En we hebben allemaal gezien en gehoord waar dat toe heeft geleid.

NOTEN
* 1 Klaus Voormann was de ontwerper van de albumhoes van Revolver (1966), waarvoor hij een Grammy ontving. Hij had zich in de tussentijd ook ontwikkeld tot een verdienstelijk bas-speler en kreeg aanbiedingen van The Moody Blues en The Hollies, maar koos voor The Manfred Mann Band en speelde daar van 1966 tot 1969. Ook speelde hij mee met John Lennon’s Plastic Ono Band (1969) en met George Harrison op het album All Things Must Pass (1970) en tijdens het Bangla Desh Concert (1971). Als sessie-muzikant hoor je hem op albums van Randy Newman, Harry Nilsson en Carly Simon.
* 2 De film Backbeat uit 1994 geeft een prachtig beeld van Astrid’s ontmoeting met The Beatles in 1960 en van haar relatie met Stuart.

* 3 Dat ze wel degelijk talent had is te zien op deze foto van knieën.

* 4 Hieronder zie je Astrid’s favoriete foto. Volgens haar kun je hier goed zien hoe moeilijk John het had met de plotselinge dood van zijn maat Stuart, terwijl George zijn best deed hem daarbij te steunen.

Destructief denken: stop ermee!

We hebben allemaal wel eens last van destructieve gedachten. Dat je jezelf op je donder geeft voor iets stoms wat je gedaan hebt en dat je er helemaal van slag door bent. Of dat je wakker ligt omdat je bang bent dat wat je van plan bent te gaan doen helemaal misgaat. Maar stel je nu eens voor dat je dat soort gedachten continu hebt. Dat je leeft in een soort constante paniek, dat je dagelijks functioneren enorm belemmert. Voor mensen die last hebben van destructieve gedachten is nu een eenvoudige en razendsnelle oplossing ontdekt. Misschien iets voor jou?

Deze aanpak vind je tegenwoordig terug in Provocatieve Coaching en bij Oplossingsgericht Werken, op dit moment zeer populaire methodes. Ze zijn praktisch, snel, effectief en dat is blijkbaar wat we willen. Misschien werkt het bij sommige mensen, maar het past niet bij hoe ik zelf naar mensen kijk in mijn werk als coach.

Compassie
Wat ik vooral mis is compassie en begrip voor de cliënt. Ik zal als coach toch eerst het recht moeten verdienen om iemand op zijn donder te geven, zoals hier gebeurt. Pas als ik achter de cliënt sta en die dat zelf ook zo ervaart, dan pas kan ik effectief confronteren.

Deze specifieke interventievorm (want een methode is het natuurlijk niet) lijkt vooral bedoeld voor de omgeving van de destructieve denker, die al snel klaar is met het gezeur en geklaag. Zij zijn het ook die het meest moeten lachen om dit filmpje. “Mijn vrouw / collega / vriend zeurt ook zo ontzettend! Haha.”  Ze realiseren zich niet goed dat het gezeur en geklaag voortkomt uit angst, die het gevolg is van de destructieve gedachten, en dat de persoon zelf maar wat graag wil stoppen. Maar dat is niet zo simpel als het lijkt. Het vereist enorm veel zelfbewustzijn en wilskracht om dat voor elkaar te krijgen. Door de opmerking “Stop ermee!”, zadel je iemand op met nog meer schuldgevoel en falen. Mensen die destructief denken hebben al een hele sterke interne criticus, die juist door dit soort opmerkingen wordt aangewakkerd. Met als conse-quentie dat de destructieve manier van denken en daar-door de angst alleen maar sterker wordt.

Irrationaliteit
Wat ik vooral proef uit een aanpak als deze is een aversie tegen irrationaliteit. “Ach, dat zijn alleen maar belemme-rende gedachten en gevoelens. Die zijn niet functioneel, dus weg ermee!”  Bij mij wekt irrationaliteit juist mijn nieuwsgierigheid op als coach. “Interessant”, zeg ik dan “vertel er eens wat meer over!”  En dan komen er meestal hele verhalen, vooral omdat ik de irrationaliteit niet veroordeel zoals de persoon zelf en zijn omgeving vaak doen, maar verwelkom als belangrijke bron van informatie. Dat komt omdat ik niet geloof in een eendimensionale mens. Voor mij is een mens als een bus, met verschillende passagiers erin en als het goed is met een buschauffeur, die aan het stuur zit en de boel managet. In principe hebben alle kanten het beste met ons voor en daarom zou ik me bij de vrouw in het filmpje richten op die kant in haar die zorgt dat ze bang wordt voor allerlei zaken die, op het eerste gezicht, wat absurd lijken. Ik zou die kant vragen stellen als: “Wat doe je precies voor deze vrouw? En werkt het? Doe je het al lang? Wat wil je ermee bereiken? Wat wil je ermee voorkomen?”  Dan kan ineens blijken dat haar angst helemaal niet zo irrationeel is, maar gebaseerd op ervaringen uit het verleden. Bijvoorbeeld omdat ze vroeger in een kleine ruimte werd opgesloten, zoals Harry Potter dat overkwam in de kast onder de trap. Maar het kan ook dat de angst haar beschermt voor iets dat nu plaatsvindt. Misschien is het de bedoeling om haar te redden uit andere destructieve situaties, waar ze zich steeds maar weer in begeeft, en waarvan de angst haar nu weerhoudt.

Stressreacties zoals angst of een burnout kunnen heel functioneel zijn, is mijn ervaring. Ik herinner me een cliënt met een burnout die geen idee had hoe hij het nou precies voor elkaar had gekregen om die te krijgen. Toen hij er meer over vertelde, bleek dat hij binnenkort vader zou worden en hij wilde, gezien zijn eigen verleden, graag een goede vader zijn. Maar met zijn huidige manier van werken, altijd voor 120%, zou dat zeker niet gaan lukken. En zo was zijn burnout achteraf geen ramp maar een zegen, omdat het hem hielp zijn leven opnieuw in te richten.

Zelfbewustzijn en zelfmanagement
Als coach confronteer ik, als ik denk dat een cliënt verdwaald is in zijn of haar destructieve gedachtes en angstige gevoelens. Ik zie het als mijn taak om iemand wakker te schudden. Bij de vrouw in het filmpje zou ik, om te beginnen een onderscheid maken tussen haar destructieve gedachten en de angstige gevoelens en het angstige gedrag die er het gevolg van zijn. Ik zou haar denken, gevoelens en gedrag loskoppelen van elkaar en van haar als persoon. Ze is namelijk meer dan haar gedachten, gevoelens en gedrag alleen. En ze heeft meer gedachten dan alleen destructieve, meer gevoelens dan alleen angstige en meer gedrag dan alleen beheerst door angst. Ik leer haar om zichzelf beter te managen. Zodat ze zelf weer de regie kan nemen over haar eigen leven en in staat is om balans te brengen tussen al die verschillende gedachten en gevoelens, en van het gedrag dat eruit voortkomt.

Dat managen begint met bewustzijn. Dat ze waarneemt dat ze destructief denkt en zich bewust wordt van hoe en wanneer ze dat doet. Ze constateert dan regelmatig bij zichzelf, “Ik doe het weer!”  En dat wordt meestal snel gevolgd door een negatief oordeel over zichzelf. Maar dat is niet de bedoeling, want de interne manager oordeelt niet, die constateert alleen maar. Het zal voor deze vrouw een enorme uitdaging zijn om alleen al daar aan te werken, vooral omdat ze een heel sterke interne criticus heeft. Langzamerhand zal ze doorkrijgen dat er bepaalde kanten in haar zijn die de neiging hebben om aan het stuur te gaan zitten en de boel te gaan bepalen. Terwijl dat eigenlijk niet goed is voor haar op dit moment in haar leven. Ik help haar tegenkrachten in zichzelf te mobiliseren die op kunnen boksen tegen die enorm krachtige destructieve kant die nu zo overheerst. Daarvoor gaan we op zoek naar een kant die verlangt naar een leven zonder angsten. Die is ongetwijfeld aanwezig, want anders was ze niet op zoek gegaan naar een coach of therapeut om haar te helpen. Deze verlangende kant wil waarschijnlijk meer stem krijgen in het geheel, en het is aan de manager om daar voor te zorgen. Het kan zijn dat er daarnaast ook een soort interne aanpakker nodig is, die de wensen van de verlangende kant praktisch kan ondersteunen. Een kant die concreet aan de slag wil om de situatie die er nu is te veranderen en stappen wil maken om dat te realiseren.

Zelfconfrontatie
Op een gegeven moment krijgt de vrouw door hoe ze bepaalde kanten in zichzelf, zoals een op hol geslagen interne criticus of een sterke angst die haar belemmert, een halt toe kan roepen. Bijvoorbeeld door ze toe te spreken: “Ik heb je gehoord, maar nu is het afgelopen! Een ander keer wil ik graag naar je luisteren, maar nu even niet. Stop ermee, want je helpt me nu niet.”  Ik doe dat zelf ook wel eens, als ik wil gaan slapen en er een kant van me is die juist op dat moment een gesprek van de volgende dag gaat voorbereiden of een brief gaat schrijven, terwijl de andere kanten in me net hun ogen dicht willen doen. Dan roep ik die kant tot de orde. “Ik schrijf nu een paar dingen op die je tegen me zegt om te onthouden en dan ben je morgenochtend als eerste aan de beurt.”  En dat werkt uitstekend! Ook herinner ik me een vrouwelijke cliënt die last had van een (mannelijke) interne criticus tijdens haar presentaties in haar bedrijf. Die criticus maakte haar heel onzeker door haar continu te wijzen op haar fouten en de dingen die beter konden. Ze leerde die kant te managen en gaf hem een duidelijke plek als meedenker, maar dan alleen nog na de presentatie en niet meer ervoor en tijdens, zodat hij haar niet in de weg zou zitten. Mede daardoor verdween uiteindelijk haar faalangst voor dat soort momenten.

Waar zit die interne manager in jou? Kan je die in jezelf boven halen? Weet jij een balans te vinden tussen zorgzaam en resultaatgericht met jezelf omgaan? Of ga je net zo met jezelf om als de therapeut doet met de vrouw in het filmpje?

Het Alfabet van Anders: A

Verzameling woorden
De afgelopen jaren heb ik woorden verzameld die met Anders en met Normaal te maken hebben. Synoniemen, spreekwoorden en uitdrukkingen. Positieve typeringen, maar ook veel oordelen, kritische en negatieve beschrijvingen en scheldwoorden. Ik nodig je uit om met me mee te doen en me woorden door te geven die jij associeert met anders of met normaal.

Wat is anders?
Anders is afwijkend van de norm en van hoe de meeste (normale) mensen leven. Van hoe ze denken en voelen, en wat ze doen en laten. Als men zegt “iedereen is anders”, wordt bedoeld dat mensen van elkaar verschillen en daardoor anders zijn. Maar verschillend kan nog steeds heel normaal zijn, terwijl anders duidt op iets wat niet normaal is, of in ieder geval als niet normaal gezien wordt. Anderszijn gaat voor mij dus een stapje verder dan alleen maar van elkaar verschillen in positieve of negatieve zin. Mijn ervaring is dat het meestal gaat om mensen die dingen mee hebben gemaakt (of nog steeds meemaken) voortkomend uit heftige gebeurtenissen of uit bepaalde (fysieke of mentale) kenmerken van zichzelf, waardoor ze anders naar de wereld kijken, anders denken en voelen en zich anders gedragen.

Oordelen
Anders kan bijzonder en onderscheidend zijn en dat klinkt best positief. Maar meestal wordt anders beschouwd als niet normaal en dus als niet zoals het hoort. Zo zijn er veel meer woorden over anders dan over normaal en dat duidt erop dat het blijkbaar expliciet benoemd moet worden. En dat heeft ook een duidelijke reden, namelijk om het zwarte schaap weer in het (normale) hok te laten terugkeren, zoals het hoort. Veel woorden die over anderszijn en ander gedrag gaan zijn daarom ook negatieve oordelen. Die tref ik veel vaker aan dan bij woorden over normaal zijn en normaal gedrag. Van jongs af aan worden mensen die anderszijn geconfronteerd met negatieve oordelen uit hun omgeving, van ouders, familieleden, leraren, buren, medeleerlingen, etc. Het is ze zo ingepeperd dat ze heel erg goed weten hoe het wel hoort. Om zich hier tegen te wapenen ontwikkelen ze namelijk een interne criticus en interne oordelaar. De criticus bekritiseerd hun gedrag, de dingen die ze doen of laten, waarmee kritiek door anderen voorkomen wordt. De interne oordelaar plakt er een etiket op en velt er een oordeel over, als een soort innerlijke rechter. Later in hun leven zijn die interne criticus en interne oordelaar soms zo sterk ontwikkeld dat ze daar last van kunnen krijgen. Ze zijn heel kritisch op zichzelf en dat belemmerd vaak zelfacceptatie. Daarnaast kijken ze ook heel kritisch en oordelend naar anderen en de wereld, want die voldoen zelden aan de norm die in hun hoofd zit. Ik ervaar dat mensen die anderszijn er vaak zeer sterke morele normen en waarden op nahouden, die voortkomen uit hun eigen ervaringen in het leven.

A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A – A  

Aandoening – Aanhankelijk – Aanmatigend – Aanrommelen – Aanstellerij – Aanstelleritis – Aanstootgevend – Aanvoelen

Abject – Abnormaal – Absurd – Absurditeit

Achter God’s rug – Achteraf – Achterblijver – Achtergesteld – Achterkanter – Achterlijk – Achterlijke dakhaas – Achterlijke gladiool – Achterstevoren – Actreutel

Afgeschreven – Afgestompt – Afgrijselijk – Afhankelijk – Afstammingswaan – Afstandelijk – Afstotend – Afstotelijk – Afvallig – Afwezig – Afwijkend – Afwijking – Afwisseling 

Akelig

Alarmerend – Alleenstaand – Allegaartje – Alles of niets – Allochtoon – Alternatief

Ambigu – Ambivalent – Amper

 

 

Anarchistisch – Anders dan de anderen – Angsthaas – Angstig – Antiheld – Anti-jaknikker

Apart – Aparteling – Apartheid – Apekool

Arm – Armoedig – Arrogant – Artistiek

 

Aso – Asociaal

Attractie – A-typisch

Authentiek – Autistisch – Autodidact

Avant-garde – Avontuurlijk

Azijnpisser

Kleed je goed om je zorgen te vergeten

In een gebied dat geteisterd wordt door burgeroorlogen, honger, ziektes en armoede, bestaat een bijzonder en kleurrijk fenomeen, La Société des Ambianceurs et des Personnes Élégants (De Sociëteit van Sfeermakers en Elegante Mensen), kortweg SAPE. Het zijn overwegend arme Congolese mannen (*1) die zich buitengewoon goed kleden om hun zorgen te vergeten en een beetje glamour brengen in hun eigen leven en dat van de mensen in hun omgeving. Ze dragen de meest bijzondere en chique Europese merkkleding en accessoires en daarbij soms een sigaar, pijp of wandelstok. De Sapeurs, zoals ze genoemd worden, zijn kunstenaars op het gebied van stijl en elegantie en hebben ieder een persoonlijke stijl die past bij wie ze zijn. (*2)   Zelfs hun manier van lopen is een kunstvorm op zich. Het gaat hen niet zozeer om de merken zelf of om excentriciteit, maar om het combineren van kleding, om elegantie, maatgevoel en beschaving. Natuurlijk doen ze aan “dress to impress”, maar bovenal zijn Sapeurs ambassadeurs van goede smaak en stijl, van omgangsvormen en eergevoel, van professioneel gedrag en strikt morele normen en waarden. De lokale bevolking ziet hen als echte “celebrities” en betaalt ze om sfeer te scheppen bij bruiloften, begrafenissen en andere bijzondere gelegenheden. 

De oorsprong van de Sapeurs ligt bij de Congolese intellectueel en religieus leider André Grenard Matsoua (1899-1942), die lange tijd in Parijs woonde en diende in het Franse leger. Matsoua was een man met een missie en vocht jarenlang voor mensenrechten en vrijheid van de koloniale machthebbers. Als revolutionair werd hij een nationale held en tegelijkertijd de allereerste “Grand Sapeur”. Toen hij in 1922 terugkeerde uit Parijs, droeg hij de kleding van de machthebbers en niet de traditionele Afrikaanse kledij, zoals toen gebruikelijk was voor Congolezen. Dat leidde eerst tot veel protest, maar uiteindelijk tot bewondering. “De blanken mogen dan deze kleding hebben uitgevonden, maar wij maken er een kunst van!”

Sapeurs zijn in principe revolutionairen, zoals ook bleek in de tijd van Mobutu (1965-1997), toen iedereen werd geacht zich traditioneel Afrikaans te kleden en westerse kleding als taboe werd beschouwd. Sapeurs zetten zich daar tegen af, maar hebben uiteindelijk geen politieke motivatie. Per definitie zijn ze zachtaardig en tegen iedere vorm van bloedvergieten, ze komen alleen tot hun recht als er vrede heerst. Tijdens de burgeroorlog (1997-2002) was hun motto “leg de wapens neer en laten we onszelf elegant kleden en werken”. Ze zijn gericht op dialoog en diplomatie en vermijden conflicten. Hun kleding is hun enige wapen. (*3) Zoals een Sapeur zegt, “Je kan niet vechten of dronken worden als Sapeur, daar zijn mijn kleren veel te kostbaar voor.”

Voor Sapeurs is hun kunst een vorm van religie. “Als ik me op deze manier kleed, voelt het alsof de Heilige Geest in me komt. Ik voel me tot rust komen alsof ik zonder zonde ben.” Voor hen is het de poort naar geluk, want de juiste kleren dragen en de juiste stijl van gedrag en elegantie vertonen geven voeding aan de ziel en behagen het lichaam. Het verheft de Sapeurs uit hun moeizame bestaan en een wereld vol armoede en geweld en geeft hen een leven in harmonie. (*4)

NOTEN
*1 Sapeurs komen voor in Midden Centraal Afrika en dan met name in wat tegenwoordig Congo Brazzaville (Republiek Congo) en Congo Kinshasa (Democratische Republiek Congo) heet. Inmiddels zijn ze door migratie ook een internationaal fenomeen geworden met groepen in Parijs, Brussel en Londen.

*2 Net als de meeste mensen die anders zijn, en dat zijn artiesten over het algemeen, krijgen de Sapeurs veel kritiek. Ze zouden zich egoïstisch, escapistisch, narcistisch, frivool, materialistisch en decadent gedragen in barre omstandigheden. Hun tijd en geld zouden ze beter kunnen besteden aan een auto, een huis of het onderwijs van hun kinderen. Ze zouden door hun gedrag de jeugd het slechte voorbeeld geven. Hun voorkeur voor westerse merken zou aangeven dat ze onder invloed staan van het kolonialisme en imperialisme. Wat hun reputatie geen goed doet zijn de schaduwkanten van hun kunst. Omdat het lastig is om geld bij elkaar te krijgen voor hun dure outfits, kiezen sommige Sapeurs daarvoor de verkeerde wegen als drugs- en mensenhandel en diefstal.
*3 Groepen Sapeurs vechten duels met elkaar uit, die bestaan uit een soort rituele dansen waarbij merklabels worden getoond en de strijd kan worden gewonnen op basis van kwaliteit, elegantie en stijl.
*4 Meer informatie over de Sapeurs en meer prachtige foto’s kun je vinden bij Daniele Tamagni (Italiaanse kunsthistoricus en freelance fotograaf) in zijn boek The Gentlemen of Bakongo – The Importance of Being Elegant (2009), bij Héctor Mediavilla Sabaté (wiens fantastische website je zeker moet bekijken) en bij Francesco Giusti. Het beste artikel over de Sapeurs is dat van Tom Downey uit de Wall Street Journal van 29 September 2011.

Doe normaal!

“Doe toch normaal!”  wordt er vaak geroepen, soms zelf op plekken waar dat niet normaal is. Maar wat is nou eigenlijk normaal? Volgens mij hangt dat af van wat je gewend bent, en wordt het beïnvloed door waar je vandaan komt en hoe je opgevoed bent. Wat de ene persoon heel normaal vindt, is voor de ander volstrekt abnormaal en zelfs verwerpelijk. Wat het ingewikkeld maakt, is dat mensen vaak geen woorden hebben voor zaken die vanzelfsprekend en normaal zijn. Zo gaan we met elkaar om en dat je hoor je te weten, dus blijft het meestal impliciet. Wel waarneembaar en daardoor benoembaar is datgene dat afwijkt van de norm. Dus zien we vooral dingen om ons heen die niet normaal zijn, want dat valt op.

Hier een aantal voorbeelden over wat normaal is voor de één, maar niet voor de ander. Als jij nog meer mooie voorbeelden weet, dan hoor ik dat graag van je.

Gedragsregels
In veel samenlevingen zijn de regels voor gedrag heel duidelijk aangegeven. Je weet wat je kunt verwachten van anderen, als je zelf ook maar doet wat er van je wordt verwacht. Hierdoor worden onvoorspelbaarheid, twijfel en chaos zoveel mogelijk uitgebannen. Zo betekent in Japan oprechtheid, dat je de regels kent, en weet wat van je verwacht wordt. Of nog sterker, je weet wat je van jezelf verwacht om zelfrespect te kunnen hebben, doordat je de kracht en de wil hebt om er naar te leven, ook als het ingewikkeld wordt.

Complimenten
Er was een Japanner die in de VS studeerde en woonde in een studentenhuis. Hij kreeg regelmatig compli­menten over z’n fiets. “Goh wat heb jij een mooie fiets!“ “Het is niets bijzonders, het is de goedkoopste die ik kon vinden!” “Ik vind hem mooi. Goeie dag verder.”  Nadat dit vaker gebeurde vroeg de Japanner zich af waarom mensen zijn fiets niet mooi vonden. De Amerikanen vonden dat hij raar met complimenten omging. Het probleem was dat in de Japanse samenleving het geven van complimenten een heel ritueel is met verschillende fases van prijzen en afweren. Een compliment gelijk accepteren is niet beleefd. Degene die het compliment gaf, had normaalgesproken verder moeten gaan met een opsomming van wat er allemaal zo mooi was aan die fiets. Dat hij dat niet deed duidde erop dat het eigenlijk geen compliment was. (*1)

Vragen
In onze Westerse samenleving staan vragen centraal. Als er een vraag wordt gesteld, dan opent zich een doos van Pandora aan nieuwe vragen die er uit voortkomen. In een samenleving die naar binnengericht is, zoals bijvoorbeeld Afghanistan, word je geboren met antwoorden en worden vragen gezien als ontwrichtend. Je stelt daar alleen een vraag als het antwoord bekend is. “Waarom regende het dit jaar niet?” “Omdat God het wil.”  “Maar waarom?” “Iemand heeft de wetten van de Islam overtreden.” (*2)

Een probleem dat niet wordt benoemd bestaat niet
In geritualiseerde en formele culturen als Japan en China komt het zelden voor dat men je corrigeert of dingen uitlegt. Je hoort het te weten en men raakt totaal van slag als dat niet zo is. Het bijzondere is dat je daar dan weer niets van merkt, want probleemsituaties worden opgelost door niets te doen, of door net te doen alsof het niet zo is. Als men zou erkennen dat er iets aan de hand is, dan moet er actie worden ondernomen en actie is heel, heel erg serieus. (*3) Wanneer een Japanner zich schaamt over iets dat hij fout heeft gedaan, zegt hij meestal niks. Maar heeft hij niets verkeerd gedaan, en weet hij dat ook, dan zal hij zich waarschijnlijk verontschuldigen. (*4)

Alleen zijn
In onze geïndividualiseerde Westerse cultuur is alleen zijn heel normaal, maar voor veel andere samenlevingen, zoals Noord Afrika en het Midden Oosten, is het iets wezensvreemd. Daar geldt dat je zonder anderen eigenlijk geen identiteit en geen leven hebt. Een paradijs zonder mensen is als de hel, en daar moet je zeker niet binnentreden. Mensen om je heen voeden je door hun aanwezigheid en geven je energie. Terwijl alleen zijn je van het leven berooft. Mocht je toch een moment alleen willen zijn, dan zeg je gewoon even niks, zo simpel is het. Maar zelfs als je alleen maar luistert naar anderen, dan ben je nog steeds betrokken, want dat kan op veel niveaus tegelijkertijd.

Barbaars
“Ik herinner me dat ik sprak met een oude kannibaal, die van de missionarissen had gehoord over de oorlog in Europa. Wat hij vooral van me wilde weten was hoe wij Europeanen het voor elkaar kregen om zulke enorme hoeveelheden mensenvlees te eten, gezien het feit dat er zoveel slachtoffers van de strijd waren. Toen ik hem verontwaardigd liet weten dat Europeanen hun vijanden niet opeten, kijk hij me aan met grote afschuw en vroeg hij me wat voor verschrikkelijke barbaren we niet waren om te doden zonder enig doel.” (*5)

Zoals je ziet aan deze voorbeelden, is het begrip normaal heel relatief. En dat geldt niet alleen voor verschillen tussen culturen, maar ook voor verschillen binnen een cultuur zelf, verschillen in relaties tussen mensen en zelfs voor verschillen tussen allerlei kanten in jezelf. Diversiteit heeft een meerwaarde, we leren er anders door kijken en denken, we leren er door accepteren dat niet iedereen hetzelfde hoeft te zijn. Het blijft verrassend, wonderlijk en boeiend, als je daar voor openstaat en je niet bang laat maken door wat onvoorspelbaarheid in je leven.

NOTEN
*1 Edwin O.Reischauer – The United States & Japan (Cambridge 1965).
*2 Louis Dupree – Moving Mountains in Afghanistan, in: Robert B.Textor (ed) – Cultural Frontiers of the Peace Corps (Cambridge 1966), p.107-24.
*3 Edward T. Hall – Beyond Culture (New York 1977),p.161.
*4 Frans Boenders in gesprek met Donald Keene, in: de Gids 4/5 (1978),p.284-96.
*5 De beroemde antropoloog Bronislaw Malinowski (1884-1942), geciteerd in: Julius E. Lips – The Savage Hits Back (New York 1966),p.VIII.